Wat zijn invasieve soorten?
De flora van een bepaald gebied is constant in evolutie: soorten worden zeldzaam en verdwijnen, andere soorten komen in de plaats, hetzij spontaan ingevolge een uitbreiding van het natuurlijke areaal, hetzij door opzettelijke of onopzettelijke introductie. Sommige ingevoerde plantensoorten kunnen grote problemen geven voor de inheemse plantengroei, dergelijke soorten noemen we invasieve soorten. Ze vallen als het ware een nieuw gebied aan.
Vanwaar worden plantensoorten ingevoerd?
Het opduiken van "gebiedsvreemde" planten is geen recent fenomeen. Integendeel, het is bijna zo oud als de mensheid zelf. Van zodra de mens zich in de oudheid begon te verplaatsen voor de jacht, ontstond de mogelijkheid tot ongewilde verplaatsing van plantenzaden (stekelige vruchten bleven aan de huid kleven, enz.). In de loop der tijden is de invloed van de mens op de flora steeds toegenomen. Belangrijke periodes waren ondermeer de kruistochten toen, naast specerijen, vanuit het Oosten ook talrijke onkruidzaden in onze streken werden ingevoerd. Aldus kwamen bijvoorbeeld de klaproos en korenbloem bij ons terecht. Meest belangrijk was wellicht de periode vanaf 1492 na de ontdekking van de Nieuwe Wereld. Voor het eerst werden planten uit een compleet nieuw continent ingevoerd. Historisch gezien was dit zonder twijfel een mijlpaal; soorten die pas na 1492 in onze streken verzeild geraakten worden daarom neofyten genoemd. Ingevoerde soorten die er voordien reeds voorkwamen worden als archeofyten bestempeld en doorgaans met inheemse soorten gelijkgesteld.
Waarom worden plantensoorten ingevoerd?
Plantenintroducties kunnen tweeërlei oorzaken hebben: ofwel werden ze onopzettelijk ingevoerd, ofwel opzettelijk. Onopzettelijke invoer gebeurt hoofdzakelijk ingevolge internationale goederentrafieken. Plantenzaden worden als verstekeling aangevoerd uit andere streken met ondermeer granen, ertsen, wol, hout, enz. Ook andere factoren kunnen de verspreiding van een plantensoort bepalen. Het Deens lepelblad (Cochlearia danica) groeide oorspronkelijk alleen langs de kust. Tegenwoordig vinden we de plant echter ook terug in het binnenland, langs de autosnelwegen. Door het strooien van zout ontstaat daar immers een smalle strook grond met hoge zoutconcentraties. De meeste planten kunnen daar niet groeien maar het Deens lepelblad verkiest net deze zilte condities. In het zog van de strooimachines rukt het plantje dus op. Sommige soorten worden opzettelijk ingevoerd. Het betreft soorten die door de mens werden ingevoerd omwille van hun sier- of nutswaarde. Talrijke tuinplanten, fruitsoorten en andere gewassen zijn hier voorbeelden van. Sommige begonnen na hun introductie te verwilderen.
Niet alle ingevoerde soorten zijn invasief
Niet elke ingevoerde soort kent succes: het overgrote deel slaagt er niet in om de tuinen waarin ze verzorgd worden te verlaten, ze overleven gewoonweg niet in het wild. Ze worden door de inheemse, wilde soorten verdrongen. Elke tuinier weet dat hij onkruid moet wieden want dat de meeste tuinplanten anders overwoekerd worden, deze planten vormen dus geen enkel probleem. Sommige soorten slagen er in om gedurende korte tijd te bloeien en zaad te vormen in het wild maar verdwijnen al snel. Dergelijke soorten worden (efemere) adventieven genoemd. Een kleine minderheid echter, vaak aangevoerd vanuit een regio met gelijkaardige klimatologische omstandigheden als in België, slaagt er in zich te vermeerderen, een vaste stek te verwerven in een habitat en zich aldus te gedragen als een inheemse plant; ze burgert met andere woorden in.
Problemen met invasieve planten
Invasieve planten kunnen een niche innemen die nauwelijks door inheemse soorten bevolkt wordt waardoor ze voor deze laatsten geen bedreiging vormen. Soms echter (en recent bovendien in steeds toenemende mate) zorgen dergelijke ingeburgerde soorten voor overlast en worden ze als indringer ervaren (invasief gedrag). Overlast door dergelijke exoten kan zich op diverse niveaus manifesteren. Op ecologisch vlak kunnen ze dermate floreren op hun nieuwe groeiplaats dat ze het uitsterven van inheemse soorten tot gevolg kunnen hebben. Ongebreideld voorkomen van agressieve exoten, bv. in het geval van verwilderde watersierplanten, kan problemen veroorzaken voor de waterrecreatie (visvangst, pleziervaart, worden gehinderd), waterhuishouding (waterexoten vormen door hun massale voorkomen een dusdanige biomassa dat de afwatering in het gedrang kan komen). Sommige invasieve soorten vormen een reële bedreiging voor de volksgezondheid. Zo kunnen de brandharen van de reuzenberenklauw overgevoeligheid voor zonlicht veroorzaken. Bijna alle schadelijke exoten blijken door de mens opzettelijk te zijn ingevoerd. Controle en pogingen tot verwijdering ervan kosten handenvol geld.
Enkele voorbeelden van schadelijke of invasieve soorten zijn: de reuzenbalsemien (Impatiens glandulifera) uit de Himalaya, de Kaukasische of reuzenberenklauw (Heracleum mantegazzianum) uit de Kaukasus en de brede of Canadese waterpest (Elodea canadensis) uit Noord Amerika. De knolcyperus (Cyperus esculentus) is een hardnekkig onkruid in maisakkers en veroorzaakt grote kosten. In de tropen is de waterhyacinth (Eichhornia crassipes) een geduchte invasieve soort. Deze plant groeit drijvend op het water, door de massale groei kunnen hele rivieren geblokkeerd geraken en ondervindt de scheepvaart veel hinder. In België is deze soort niet winterhard. Invasieve planten kunnen grote problemen opleveren, het is dus verstandig om geen nieuwe soorten in onze eigen natuurlijke omgeving in te voeren.
Voor vragen over een bezoek aan de Plantentuin, contacteer Patrick Bockstael (Tel.: + 32 2 260 09 70).
Nationale Plantentuin van België
Domein van Bouchout
B-1860 Meise